blog

Wat goed is voor het land is niet per definitie goed voor de partij(voorzitter)

Steeds meer wordt ook de particratie aangewezen als boosdoener voor de haperende federale formatie. En daar zijn best argumenten voor.

Wie vanochtend Koen Geens (CD&V) beluisterde op Radio 1, begreep dat er van enige sense of urgency in de Wetstraat geen sprake is. De ontslagnemende minister van Justitie filosofeerde ontspannen over het stilaan indrukwekkende gat in de begroting. Hij werd er ooit tijdens zijn puberjaren mee geconfronteerd en het leek erop dat hij er zich bij neerlegt dat hij ermee zal sterven.

Ook inzake zijn politieke carrière liet Geens zich niet opjagen. ‘Que será, será,’ citeerde hij wijlen Doris Day uit Alfred Hitchcocks The man who knew too much. Het klinkt alvast exotischer dan Kris Peeters’ ‘het is wat het is’. Van zo’n dooddoener wordt de luisteraar niet wijzer, behalve dat de ambitie doorklinkt om er opnieuw bij te zijn. En Geens is niet de enige toppoliticus die met zijn toekomst worstelt.

Dubbele agenda

Natuurlijk bemoeilijken politieke meningsverschillen de huidige federale formatie. Maar ook de particratie blinkt uit als storende factor. Alle potentiële coalitiepartners hebben flink verloren. Sommige partijen worstelen zelfs met een existentiële crisis. Dat zet de voorzitters aan tot de nodige voorzichtigheid. Die hebben bovendien een dubbele agenda. Ze onderhandelen met de eigen toekomst in de mouw.

Vanaf de jaren zeventig viel België ten prooi aan de particratie, een politiek systeem waarbij partijen de macht hebben. In die jaren fragmenteerde het partijlandschap, met de opkomst van de ecologisten en Vlaams Belang. De hoofdkwartieren wonnen aan belang. De voorzitters en hun entourage vervelden tot een relais waar alle touwtjes samenkomen. Coalitieregeringen eisten een alomvattend regeerakkoord, met geven en nemen. Dat fnuikte de freedom of speech in de diverse parlementen.

Grote deals zijn nu de verantwoordelijkheid van een klein kransje voorzitters. Ze bemoeien zich met de lijstvorming en wie niet in het plaatje past mag een carrière vergeten. In een kleine kieskring kon een recalcitrant partijlid vroeger tegen de wil van de leiding ingaan. Provinciale kiesomschrijvingen maken dat onmogelijk. Diezelfde voorzitters kiezen ook de ministers.

Samenvallende verkiezingen

Tegelijkertijd runnen ze een bedrijf met heel wat werknemers, dat ze ‘gezond’ moeten houden. Het is makkelijk gezegd: met de nodige zin voor staatsmanschap kunnen de voorzitters toch snel een regering maken? Maar zij hanteren een andere logica. Wat goed is voor de burger, is niet per definitie goed voor de partij(voorzitter).

Samenvallende verkiezingen versterken dat proces. Er bestaat een wereld van verschil tussen er dan al niet bijzijn op de verschillende niveaus. In 2003 werd Groen gered door het feit dat het tot 2004 nog in de Vlaamse regering zat (de partij zakte federaal onder kiesdrempel en hield geen enkele gekozene over, red). Tegenwoordig is het alles of niets. De volgende verkiezingen – en dus nieuwe financieringsparameters – zijn pas vijf jaar later.

Gennez-syndroom

Anno 2019 is er bovendien dus die dubbele agenda. Bij de potentiële Vlaamse coalitiepartners moeten Bart De Wever (N-VA), Wouter Beke (CD&V), Gwendolyn Rutten (Open VLD) en John Crombez (SP.A) hun mandaat als voorzitter vernieuwen. Omdat ze alle vier electoraal slaag kregen, blijft het een wonder dat ze nog allemaal op hun stoel zitten. Het onderstreept de nood aan ontsnappingsroutes.

Momenteel voeren ze de coalitiegesprekken met een officieel en een officieus argument. Een voorzittersloze partij maakt niet bepaald een sterke indruk aan de onderhandelingstafel. Bovendien is het handig meegenomen dat ze zo de touwtjes van hun eigen toekomst in handen houden.

De Wever vormt hierop een uitzondering. Als burgemeester van Antwerpen heeft hij een mooie functie, hij hoeft geen minister te worden. Dat ligt anders bij Beke, Rutten en Crombez. Ze zijn als de dood voor het Caroline Gennez-syndroom. De voormalige SP.A-voorzitter werkte zich in 2011 uit de naad om een regeerakkoord inclusief staatshervorming te onderhandelen. In de laatste rechte lijn nam Bruno Tobback zoals afgesproken over. Hij beloonde de Mechelse niet met een ministerspost. Van de ene dag op de andere degradeerde de machtigste Vlaamse socialist tot gewone meeloper.

Wagen met chauffeur

Partijvoorzitters koesteren een eervolle aftocht, als het even kan als minister in een van de regeringen. Ze zien het als een beloning voor het bloed, het zweet en de tranen die ze voor de partij hebben gelaten. Maar het vergemakkelijkt de onderhandelingen niet. Als het de federale informateurs Johan Vande Lanotte (SP.A) en Didier Reynders (MR) echt menens is met paars-geel, dan moet aan Vlaamse kant de SP.A of CD&V sneuvelen omdat ze numeriek overbodig zijn.

Beke wil wat graag een regering in, ook Crombez heeft zin om opnieuw een uitvoerend mandaat te bekleden. Het lijkt te vroeg om zich in Limburg respectievelijk West-Vlaanderen terug te trekken. De christendemocraat kan zich nog troosten met het burgemeesterschap van Leopoldsburg, de socialist is slechts oppositiefractieleider in Oostende.

Het zette voormalig communicatiespecialist Noël Slangen aan tot een puntige boutade in Knack: de formatie draait rond de carrièreplanning van een tiental mensen. Want niet alleen voorzitters zijn met hun eigen toekomst bezig, ook ministers zoals Geens of voormalige N-VA-ministers zitten op hete kolen. Niets is zo verslavend als een wagen met chauffeur en een ministeriële titel die media- en andere deuren opent. De burger blijft achter met de vrees dat het persoonlijke belang primeert op het algemene belang.

 

Bron: De Standaard

Deel dit bericht: